Sinds het moment dat Tcheka (1973) als Kaapverdische artiest het wereldpodium betrad, besteedden journalisten en muziekcriticasters vooral aandacht aan zijn instrumentale werk. Weinigen keken verder dan zijn bijzondere talent op de akoestische gitaar en richtten zich op de subtiele, levendige en zeer genuanceerde teksten. Als Tcheka zijn gitaar pakt en begint te zingen, kun je denken dat hij alleen
muzikaal representatief is voor de eilandengroep Kaapverdië, of zijn geboorte-eiland Santiago – het meest geassocieerd (cultureel gezien) met Afrika. Juist niet zelfs, hij gaat de luisteraar voor in het vreemde landschap – of soundscape – dat hij zelf bedacht.
De muzikale kenmerken van Kaapverdië en Santiago komen erin voor, maar alleen in flitsen en moeilijk te vangen. De antropologische precisie en poëtische subtiliteiten van de verhalen die hij vertelt zijn niet te ontkennen. Of het nu gaat om een moment van humor, sensualiteit, mystiek of verdriet, de emotie in zijn stem is altijd “true-to-form”. De release van zijn eerste solo album Argui (2002), verstevigde zijn
reputatie als gitaarvirtuoos en als originele songwriter en het succes dwong Tcheka min of meer om zich fulltime op de muziek te storten. In 2005 kwam hij binnen in de prestigieuze Radio France International “Découverte Musiques du Monde” competitie die in Dakar (Senegal) werd georganiseerd en hij nam het op tegen een aantal grote artiesten in de hedendaagse Afrikaanse muziek. Hij keerde terug naar Kaapverdië met de eerste prijs. Het positief ontvangen Nu Monda (2005) bracht hem echter pas in de stratosfeer van de wereldmuziek. Thuis en overzee werd sindsdien over hem gepraat als de echte pionier van Kaapverdische muziek.
Lonji
Op zijn laatste album Lonji (ver weg) experimenteert Tcheka nog een beetje door. Met de Braziliaanse akoestische rock-superster Lenine als producer, blijft Tcheka trouw aan zijn rijke akoestische akkoorden en Afro-Creoolse
ritmes, terwijl hij er meer elektronische elementen in verwerkt en sfeerbepalende ‘sounds’ die de tracks een frisse, futuristische gevoeligheid
geven. Het gevoel van koel water op de nieuwe versie van Primeru bes kin ba Cinema, de hitte en spanning van Língua Pretu [zwarte tong] en Ana Maria en de surrealistische sfeermuziek van Lonji bijvoorbeeld. De percussie is meer aanwezig op deze plaat – een ongewone botsing van Kaapverdische, West-Afrikaanse en Afro-Braziliaanse
ritmes - die soms zacht en speels zijn en andere momenten onbeschaamd en donderend.
Goed bewaard is echter de levendige lyriek van Tcheka’s vocalen met de steeds aanwezige
gevoeligheid en kwetsbaarheid. Tcheka is zonder twijfel een jonge meester van een kunst die hij zelf heeft uitgevonden. Moeilijk in woorden te
vatten. In tegenstelling tot de journalistieke opinie, is hij noch een modernist, noch een traditionalist en zijn muziek is bestand tegen welke
categorisatie of vergelijking dan ook.
Terwijl hij refereert aan verschillende Kaapverdische genres (batuku, funaná, finason, tabanka, morna en coladera), is Tcheka’s muziek ook een druk kruispunt van Caribische, Braziliaanse en Afrikaanse pop en traditionele vormen, folk, jazz, blues, rock, literatuur, antropologie en film. Nooit gewoon “van Santiago”, nooit gewoon Kaapverdisch en nooit gewoon muziek. Wat Tcheka laat horen is misschien wel een compleet nieuwe visie op wat het betekent om Creools te zijn in de tijd van globalisatie. Om een hybride product te zijn van de historische krachten van slavernij, kolonisatie en nationale onafhankelijkheid. Maar op hetzelfde moment ook diep geraakt te worden door post-moderne krachten; de groeiende onvermijdelijkheid van het reizen en transnationale ontmoetingen, de opkomst van nieuwe regimes van kennis, kunst en kapitalisme en de almaar groter wordende onafscheidelijkheid van technologie en de menselijke verbeeldingskracht.
Optreden: Tropentheater Amsterdam | november 2010